
Recreatie
Onze bevolkingssamenstelling verandert. Het aandeel jongeren neemt af, het aandeel senioren neemt toe, meer Nederlanders kennen een andere etnische achtergrond. Deze demografische ontwikkeling is van invloed op het recreatiegedrag. Ouderen zijn niet meer zo op zoek naar ‘adrenaline-recreatie’, hoeven niet meer zo nodig met zijn allen in de Python.
Het recreatiegedrag individualiseert, waarbij de belangstelling voor actieve vormen van recreatie, gericht op de beleving van cultuurhistorie, landschap en stedenschoon toeneemt.
Passieve vormen van recreatie raken uit de gratie, de ligweide en bloementuin trekken niet meer. We willen aan onze conditie werken, calorieën verbranden. Steeds meer mensen beleven al fietsend, skeelerend, hardlopend of nordic-walkend het landschap. Daarmee wordt het buitengebied naast productiegebied in toenemende mate uitloop- en uitrengebied voor de stedeling. Dat stelt eisen aan bereikbaarheid en inrichting.
Ook waar het de parken en plantsoenen betreft verschuiven onze wensen. Er is minder behoefte aan ‘kijkgroen’, de roep om ‘gebruiksgroen’ neemt toe. Bewoners willen vaker aan het beheer van het groen mee kunnen werken, hun omgeving mede vormgeven. We willen weer ‘zwarte vingers’ krijgen, eigen producten verbouwen.
Nederlanders van een andere etnische achtergrond gebruiken de openbare ruimte veel meer als sociale ontmoetingsruimte, om met elkaar sport en spel te beoefenen, te picknicken en te barbecueën.
Recreatie is geen statisch gegeven. Recreatiewensen en -gedrag zijn onderhevig aan mode en trends. Dit noopt tot een regelmatige modernisering van onze recreatiegebieden en voorzieningen. Daarin schuilt een majeure ruimtelijke opgave.








