HEADERNIEUW_33.jpg

Woonlandschappen

Tot aan het begin van de twintigste eeuw woonden er meer mensen in het buitengebied dan in de steden. Pas omstreeks 1920 vond de omslag plaats, woonden meer mensen in de stad dan op het land. Daarmee woonden mensen in de stad of in een dorp, of ‘op het land’.  Het waren hoofdzakelijk de boeren die ‘op het land’ woonden. Burgers hadden daar weinig te zoeken. In de naoorlogse periode zien we twee ontwikkelingen. Het aantal agrarische bedrijven en het aantal landarbeiders neemt af en de vrijkomende boerenwoningen worden opgevuld door stedelingen. De stedeling ontdekt het platteland als woongebied. Dit leidt als snel tot het bijbouwen van burgerwoningen, waarmee de verstedelijking van het plateland inzet. In de na-oorlogse periode nivelleert ook het onderscheid tussen stad en dorp, er ontstaat op grote schaal een tussenschaal. Dorpen zijn zozeer uitgegroeid dat zij de term ‘dorp’ zijn ontstegen zonder dat daar een andere kwaliteit voor in de plaats is gekomen, zij zijn dorp noch stad. Het buiten wonen is nog altijd populair. Maar hoe geef je hieraan vorm zonder de eigen kwaliteiten te verkwanselen. Hoe kun je deze ontwikkeling aanwenden om nieuwe kwaliteiten toe te voegen, contrasten aan te zetten. Dat zijn vragen die in de verschillende studies naar woonlandschappen spelen.